SLUIT BROWSER

 

De vlieger die niet opging

Al mijn hele leven droomde ik ervan om piloot te worden. Maar tussen droom en daad stond een en ander in de weg: wiskunde, arendsogen, een peperdure opleiding. Ik werd leraar maatschappijleer. En ik ging zweefvliegen. Schitterend! En vooral: betaalbaar. Maar de droom bleef, de grote luchtvaart trok. Naast mijn baan begon ik op m’n gemakje aan de theoriecursussen voor verkeersvlieger. Met kleine stapjes haalde ik mijn brevet. In de pauzes nam ik het lichtblauwe document steeds even uit mijn portefeuille: Ton Oosterheuvel. CPL. Commercial Pilot Licence.

 

Eenmaal in het bezit van dat felbegeerde document, denk je alleen nog aan het serieuze werk. Aan de vraag hoe de noodzakelijke vliegervaring op grotere vliegtuigen te realiseren. Zonder die ervaring, onmogelijk om voor een airliner te vliegen. Maar zonder baan bij een airliner, géén ervaring. Een klassieke kip-ei kwestie. Ik kon dan ook mijn geluk niet op toen ik die baan vond bij een, volgens sommigen dubieus, Amerikaans transportbedrijf. Het bedrijf vervoerde pakketjes, ongeregeld vrachtgoed en wat er verder voorbij kwam. Geen passagiers, daarvoor had men geen vergunning. Mijn salaris was de naam niet waard. Maar mijn droom werd werkelijkheid, dat was het belangrijkste. Ik had geen gezin, geen serieuze vriendin, ik vloog!

 

Mijn grote liefde.

Ik vlóóg! Op een stokoude, rammelende, viermotorige DC-8. Als tweede vlieger begon ik onderaan de trap op die geweldige machine. Ik slikte alles, protesteerde nooit, buffelde dag en nacht. Dankzij die machine overleefde ik in die cowboycultuur. Dit vliegtuig kon je zonder zicht landen, jaren vóórdat de techniek dat mogelijk maakte. De kist haalde met lege tanks zijn bestemmingen, was bestand tegen blikseminslagen, verdroeg de venijnigste windvlagen, had nauwelijks onderhoud nodig: het was mijn ideale levensgezellin. Elke keer als ik haar op het platform zag staan, sloeg mijn hart sneller. Ik was verliefd op en getrouwd met een gracieuze, ruim veertigjarige McDonnell Douglas DC-8. Nooit zou ik haar voor een ander willen ruilen. Steeds als ik instapte, stapte ik in een andere wereld. De company waar ik voor vloog kon alleen bestaan doordat op letterlijk alles, op elk schroefje en moertje, werd bezuinigd. Je hield je hart vast. Het personeel werd uitgeknepen, leveranciers belazerd. Wilde ik daar wel werken? Ik had weinig keuze, ik was te oud geworden voor het ‘chique’ werk. Ik bleef langer hangen dan goed voor me was. Tenslotte werd ik captain op die niet te evenaren, oude, verrukkelijke, viermotorige DC-8.

 

Nighttrip to Rio.

We stonden in Denver-Colorado. Bestemming: Rio. Mark, leerling vlieger, was mijn copiloot op die nachtvlucht. Hij was opgeleid in Nederland: zorgvuldig en met veel gevoel voor verantwoordelijkheid. ‘In God we trust, everything else we check,’ dát werk. Mark had het niet cadeau gekregen. Hij had een forse studieschuld. Dit deel van zijn opleiding moest hij beslist met een positief resultaat afronden. Voldeed hij niet, dan zou die schuld het enige zijn wat hij er aan overhield. Het was donker, want we vlogen bij voorkeur ‘s nachts. Daar stond mijn machine te glimmen in de spotlights op het warme platform. Overladen en gedeukt, met vermoeide motoren, wachtend op Mij! Overal bedrijvigheid, de lucht vol verrukkelijke kerosinegeuren, vermengd met het zwoele parfum van uitlaatgassen en het machtige janken van straalmotoren. That's life! Vlak voor ons vertrek was het nog even wachten op een pakketje van Defensie. Kennelijk wilde men dat liever met ons meegeven dan zelf vliegen. Je kunt je daarbij van alles afvragen maar daar was ik jaren geleden al mee opgehouden. Ik wilde vliegen, geen vragen stellen. We zouden om twee uur ‘s nachts vertrekken maar pas om vier uur zou het pakketje komen. Nu is Defensie in de V.S. een zeer interessante klant. Dus dat werd wachten.

 

Wachten op Uncle Sam.

Het was zo’n hete zomernacht, we hingen doelloos rond. Kleren plakten aan je lijf. Kopje koffie, kopje koffie. Vier uur: geen pakje. Kopje koffie. Vijf uur: geen pakje. Kopje koffie. De klok tikte. De aantrekkelijke natuurfoto’s op de kalender in de crew room waren intussen minutieus gedetermineerd. Pure schoonheid, maar niet één zo fraai gevormd als mijn liefje op het platform. Rondhangen. De nieuwe dag diende zich aan. Het bericht kwam dat het pakketje absoluut mee moest en onderweg was! “Ton, eerlijk gezegd duurt het me te lang,” begon Mark in de loop van de ochtend, “is er een reservebemanning beschikbaar?” Ik grinnikte: “draagt de paus een rare hoed?” Het was inmiddels volop licht. Een eerste stroom passagiers vulde de vertrekhallen op Denver airport. Mijn ogen prikten. Een dutje? Elk moment kon het pakje komen. Nieuw vliegplan indienen, opnieuw het weer "en route" bestuderen. “Het moet verantwoord blijven Ton,” benadrukte Mark, “We moeten fit to fly zijn. Ik weet niet hoe het met jou zit, maar fit ben ik niet, na zo’n nacht rondhangen.”

 

Nog een bakkie?

Onder géén beding mocht het militaire pakket achterblijven. Rondhangen. Tot, niet te geloven, het daglicht langzaam begon te wijken om plaats te maken voor de volgende nacht. “Dit gaat echt te ver Ton,” zei Mark dreigend. “Er zijn grenzen.” Van pure narigheid lagen we om beurten wat te suffen op een bank. Want je kunt niet weg. Je blijft alert, elk moment kan het belletje gaan. Ik zou aan mijn achttiende kopje koffie beginnen, toen de boodschap kwam: een militaire auto met het pakketje was onderweg! Op het platform inspecteerden we de kist voor de tweede keer en klommen er alvast in. Binnen was het veertig graden. We zaten op onze plaatsen in de cockpit, zagen hoe de zon tegen de horizon zakte, toen we hoorden dat het nog een dik uur zou duren voor het pakketje zou arriveren. Kolere! Verslagen kleefden we tegen onze leuningen. “Zal ik een frisje halen, Mark?”

 

Je moest toch zo nodig..?

Futloos hing hij in zijn stoel. Hij keek me aan: “Een hele nacht geen oog dichtgedaan, een hele dag rondgehangen, nu is het wéér bijna nacht. Ik kan niet meer.” “Mark, ik haal een bakkie. Nog even, we zijn zo weg.” “We moeten straks zeven uur vliegen Ton, helemaal naar eh.. dinges. Dat betekent twee nachten geen slaap. Levensgevaarlijk. Je vliegt over steden, je hebt godsamme je verantwoordelijkheid!” Ik ging naast hem zitten. “Mark, wat wil je nou? We hebben geen keus. Dit is de job! Ik leef al jaren zo...” “Gekkenwerk. Ik kan het niet. Jij ook niet. Er móet vervanging komen.” “Sorry Mark, die is er niet, dit vrachtje móet! We zijn zó weg.” Hij zat als een leeggelopen ballon naast me. Ik voelde me geen haar beter, maar hield me groot. Mark zag intens bleek, zweet droop van hem af. “Ik nok ermee. Laat de baas de kolere krijgen! Wij ons leven wagen voor die paar rotcenten? De vinkentering..!” Mark pakte zijn telefoontje en drukte een nummer in: “We kappen ermee, als hij op veiligheid wil besparen, moet hij voor de aardigheid eens een ongeluk proberen.”

 

No go.

Op dat moment kwam een militaire jeep het platform opgereden, rechtstreeks naar onze DC-8. Een frisse militair stapte uit: fit, gewassen, gestreken, in modeluniform. Wij hingen erbij als een paar doorweekte vuilniszakken. Triomfantelijk stak hij een pakketje in de lucht. “One moment,” riep ik onverschillig uit het openstaande raampje. Ik liet me van de trap afzakken, deed alsof ik met mijn laatste krachten salueerde en nam het pakketje aan. Ik sleepte me terug de cockpit in en hoorde Mark met eigenaardig zachte stem in zijn mobieltje zeggen: “Sorry sir, this is it.” Hij verbrak de verbinding en smeet het telefoontje van zich af. Ik installeerde me naast hem. “We kunnen starten.” Mark wierp me een vermoeide blik toe: “Sorry maat, zonder mij. Ik heb het zojuist de grote baas gemeld.” Mark pakte zijn mobieltje op en hield het in de lucht, “Hij komt er aan.” Ik schrok. “De baas? Wegwezen!” Mark stond op. “Sorry Ton, dit is gestoord. Mijn leven is mij net iets te lief.” Even zat ik roerloos. Overzag hij de gevolgen? Zijn enorme studieschuld, zijn carrière, ze gooiden hem eruit wegens dienstweigeren..

 

Fired!

Waar de militaire jeep net was verdwenen, remde een zwarte jeep met gillende banden. “Zal je hem hebben...” Nog vóór hij stilstond werd de deur opengesmeten. “Where's that fucking little shit...” brulde de baas naar boven, naar mijn raampje. Mark stond in de deuropening boven aan de trap. “You idiot! Fly! This minute!” Iedereen op het platform kon het horen. “Pardon me sir,” antwoordde Mark koel. "I am not fit to fly.” Nooit eerder heb ik iemand zó kwaad gezien. De baas werd twee meter lang, zijn kop zo rood als een kreeft. “Not fit? Not Fit? You are FIRED! You are FINISHED!”

 

Good bye my love.

Mark haalde zijn schouders op en slenterde de trap af. Met zijn handen in zijn zakken. Ik wist niet wat ik moest denken. Dapper? Dom? De baas blafte dat hij naar de rechter zou stappen voor de schade. “See you in court sonny.” Hij sommeerde Mark onmiddellijk het vliegtuig te verlaten. Niet nodig, hij ging al, in zijn eigen tempo. Einde carrière. Ik had enorm met hem te doen. Toen richtte de woede van de baas zich op mij. Ik zat laf verscholen in mijn hoekje van de cockpit. “And you, stupid son of a bitch,” schreeuwde hij, “jij bent een waardeloze captain. You’re fired too! And I’ll see to it you’ll never fly again!” Hier schrok ik van. Godver..! Op staande voet ontslagen met de gratis garantie dat niemand je meer wil hebben. Ik geloofde die ouwe galbak, hij kende iedereen in het wereldje. “Get the hell out of that seat!” Hij was buiten zichzelf. Kon ik nog iets veranderen? Jezus, man! Mijn DC-8! Mijn ziel en zaligheid! Nooit meer vliegen! Ik kon het niet bevatten. Verslagen, total loss, verliet ik het vliegtuig, bereid om te bemiddelen, om te dealen, paaien, slijmen desnoods. Ik voelde een misselijkmakende angst opkomen.

 

Now what...?

Voordat ik de trap af was scheurde de jeep weg. Ik trilde op mijn benen. Ik wist het even niet meer. Hoe moest het met mijn Amerikaanse werkvergunning? Jobless in America. “Ton, die klootzak wil dollars, over jouw rug, over mijn rug... Gaat er iets fout, dan zijn jij en ik de pispaal. WIJ maken de fouten. WIJ zijn verantwoordelijk. Laat die schoft de pleuris krijgen.” “Mooi, gezegd Mark, dapper. Weet je wat je gedaan hebt? Ik zit in de shit. Dit salaris was alles wat ik had. Maar dat is het ergste niet. Die klojo kan er voor zorgen dat wij nergens meer aan de bak komen!”

 

Zolang mijn werkvergunning nog geldig was, zwierf ik door de Verenigde Staten. Klusje hier, klusje daar. Een job als vlieger was er niet meer bij. Die oude schurk stelde ons inderdaad verantwoordelijk voor de schade die we zogenaamd veroorzaakt hadden. In de slapeloze nachten die volgden, zag ik mij weer als leraar maatschappijgeschiedenis voor de klas staan. Toen, door één onverwacht telefoontje veranderde de situatie totaal.

 

Gerechtigheid.

De rechtszaak die die ouwe redneck had aangespannen, keerde zich tegen hem. Hij verlóór! Er verschenen stukken in de pers. Er kwamen tv-interviews. Onze beslissing om veiligheid boven zakelijk belang te stellen, werd ten voorbeeld gesteld. Mark en ik werden de hemel in geprezen. Voor even werden we plaatselijke helden. Ik kreeg een functie aangeboden als Safety Officer bij de FAA, de Amerikaanse Luchtvaartdienst, een baan die me door het hele land bracht. En Mark? Dankzij zijn imago van ‘de piloot-met-de-rechte-rug-voor-veiligheid’ wist ik voor hem bij een sympathiek luchtvaartbedrijf een job te regelen als vlieger. De rechtbank had de baas in het ongelijk gesteld. Zijn gedrag werd gehekeld. Zijn bedrijf ging op de fles. Zijn advocaten fileerden hem vervolgens tot op het bot.

SLUIT BROWSER

©LeTigre b.v. All Rights Reserved - Nuyten Communicatie - Webdesign Holland