SLUIT BROWSER

 

Fatale nadering

Een bliksemflits zette de cockpit in een spookachtig licht. Grondzicht was er niet, het vliegveld was nu al enige tijd niet meer te zien. Weliswaar hoefde zo’n nadering in slecht weer geen probleem te zijn, dankzij de elektronische naderingsapparatuur op P. Ondanks de zekerheid die het systeem biedt en de wetenschap van een zeer ervaren captain en copiloot achter de roeren, voel je je op zo’n moment, in de beperkte ruimte van de cockpit, niet senang. Helemaal niet, zelfs. Het bergachtige terrein dat voor ons lag, maakte een dergelijke nadering nog eens extra riskant. Ik voelde een koude druppel langs mijn ruggengraat naar beneden glijden. “We kunnen maar beter omdraaien!” Maar ik mag me niet bemoeien met het vliegen zèlf, ik ben maar werktuigkundige, een olieboer. Als een kat in het nauw zat ik gevangen, achterin hun vliegend kantoor…

 

Zware buien hingen boven de smaragdgroene bergen van het eiland P, een geïsoleerd stukje tropen van zeshonderd vierkante kilometer in de Grote Oceaan. Op het eiland doorbreekt de smalle strip van het enige vliegveld de monotonie van de jungle. Een buitengewoon luxe resort voor de superrijken was het reisdoel van onze Jumbo Jet. De zware wolken in de verte produceerden onheilspellend gerommel en veroorzaakten turbulentie van de broeierige tropische lucht. Niet veel later zouden ze honderden levens voorgoed veranderen. Ik was de boordwerktuigkundige op deze vlucht.

 

Onderschatting.

Door de wolkenopbouw zagen we het vliegveld soms even in de verte liggen, dan weer verdween het voor langere tijd achter zware regengordijnen. Hoe dichter we het veld naderden, des te zwaarder werden de wolken en de buien. Een bliksemflits zette de cockpit in een spookachtig licht. Grondzicht was er niet, het vliegveld was nu al enige tijd niet meer te zien. Weliswaar hoefde zo’n nadering in slecht weer geen probleem te zijn, dankzij het Instrument Landing System, (ILS) de elektronische naderingsapparatuur op P. Ondanks de zekerheid die het systeem biedt en de wetenschap van een zeer ervaren captain en copiloot achter de roeren, voel je je op zo’n moment, in de beperkte ruimte van de cockpit, niet senang. Helemaal niet, zelfs.

 

Een beetje mis.

“Tot onze spijt is de ILS vanwege groot onderhoud tijdelijk buiten gebruik,” liet de Amerikaanse verkeersleider doodleuk weten. Opnieuw zette de bliksem het toestel in een secondenlang verblindend licht. “Geen probleem,” hoorde ik onze captain tegen de copiloot zeggen: “dan maken we een VOR/DME approach.” In dat geval wordt in het vliegtuig de afstand tot een radiobaken naast de landingsbaan, exact weergegeven. Bij vaste afstanden tot de baan horen vaste, steeds lagere vlieghoogten: het dalende pad naar de landingsbaan. “Met dit klote weer lijkt het me zo'n approach behoorlijk link,” zei ik, achter hun stoelen gezeten. Het bergachtige terrein dat voor ons lag, maakte een dergelijke nadering nog eens extra riskant. Ik voelde een koude druppel langs mijn ruggengraat naar beneden glijden. “We kunnen maar beter omdraaien!” Maar naar mijn mening als boordwerktuigkundige werd niet gevraagd. En ik mag me al helemààl niet bemoeien met het vliegen zèlf, ik ben maar een olieboer. Als een kat in het nauw zat ik gevangen, achterin hun vliegend kantoor.

 

Een beetje méér mis.

Mijn handen werden vochtig. Ik trok mijn riemen nog strakker aan, beet mijn kaken op elkaar, ging rechtop zitten en keek recht in de muil van het monster: de woeste, deinende wolkenmassa. “We zetten de daling in,” besliste de captain. “Jim, roep afstanden en hoogten, totdat we het vliegveld zien. My plane.” Ik kneep hem als een oude dief voor deze weliswaar betrouwbare maar tòch minder nauwkeurige nadering. Van eerdere landingen met mooi weer op P. wist ik dat je links en rechts tussen uitgedoofde vulkanen vliegt, honderden meters granieten muren die meedogenloos naast je oprijzen. Tenminste: als je precies recht, vóór de landingsbaan aanvliegt. Zonder ILS, het officiële, nauwkeurige, landingssysteem, is elke nadering bij slecht weer géén goed idee. De Jumbo schokte, kraakte op de turbulentie. Geleidelijk, onverbiddelijk daalden we in de richting van het vliegveld.

 

Geen weg terug.

Nerveus herhaalde ik: “Captain, dit is geen strak systeem! Als we de baan niet bijtijds zien...” Geen reactie. Mijn opmerking ging verloren door de copiloot die afstanden en bijbehorende hoogten tot de landingsbaan afriep. “Minimum hoogte is vierhonderdvijftig voet,” benadrukte de copiloot. “Zien we de baan dan niet, moeten we rechtdoor uitklimmen en uitwijken.” Ik knikte hevig instemmend, uitwijken, liefst nù meteen! Ik strekte mijn hals zo ver mogelijk, probeerde wat te zien en het wippen op mijn stoel te onderdrukken. Ons vliegtuig daalde gestaag door de kolkende wolkenmassa waar onafgebroken de bliksem doorheen sneed. Bakken water stroomden over de neus en de ramen. “Op vier mijl, vijftienhonderd voet..,” riep de copiloot. Steeds lager, steeds dichterbij… We moeten terug omhoog, weg van de bergen en uitwijken naar een ander vliegveld met goed zicht, vlaste ik. Maar het eiland P. ligt honderden mijlen overal vandaan. Uitwijken betekende nòg eens uren vliegen maar alles beter dan dit. De captain wilde onder de wolken uitzakken. Misschien was een paar meter voldoende. Hij liet het vliegtuig verder dalen. Op vierhonderdvijftig voet, minimumhoogte, zaten we nog steeds in de wolken.

 

Op slot in eigen hoofd.

“Laten we doorstarten cap,” drong de copiloot aan, “we zien niks.” Stilte. De captain reageerde niet. Zag hij op tegen de extra reistijd? Waren we “low on fuel?” Hij liet het vliegtuig verder zakken. Het toestel bokte door de felle turbulentie. “Laten we doorstarten en klimmen,” herhaalde onze copiloot nu met klem. De captain keek hem even, met een nietszeggende blik aan. “Godverdomme, man! We moeten klimmen! we zien geen flikker!” De captain reageerde niet, leek in trance. Hij vloog lager en lager, zonder zicht, ruim onder de voorgeschreven minimum hoogte. De copiloot keek kort even naar mij, achterin. Ik haalde verslagen mijn schouders op. Ik kòn me er niet mee bemoeien, dat zou maar averechts uitpakken. “Captain, we zitten véél te laag! Start dóór! Nù!” De captain nam nog iets gas terug, vloog door, vleugelklappen volledig neer, langzaam verder dalend, naar waar volgens hem de landingsbaan moest zijn. Ik zag de hoogtemeter driehonderd voet aangeven, véél te laag voor die positie! Ik keek als verlamd toe. “Dóórstarten! Trek godverdomme die kist op!” brulde de copiloot in paniek. “Ja, doorstarten mensen!” piepte ik, op van de zenuwen. De captain vloog door. Onbewogen. Geblokkeerd. Hij zat op slot. “Maar start nou toch dóór man!” riep de copiloot, met zijn armen omhoog in een machteloos gebaar. “We zien niets! We zitten veel te laag,” voegde ik overbodig toe. Onaangedaan zette de captain door. Hij haalde de gashendels zelfs nog een fractie terug, waarmee hij aangaf te gaan landen.

 

Te weinig, te laat.

De copiloot zat gefixeerd, als een konijn in het zoeklicht van de stroper. Niemand zei iets. Botsende meningen, waarbij er één de baas is, de captain. We schikten ons noodgedwongen in de beslissing. Verslagen. Ik, de professional die weet wat er gebeurt en zich willoos in de gehaktmolen laat duwen. Even keek de captain naar de copiloot. Hij aarzelde. De hoogtemeter gaf ruim onder de driehonderd voet aan. Géén zicht. Ik zag aan de bewegingen van de captain dat hij tóch twijfelde, op het laatste moment besloot hij te klimmen. Hij moest wel. Hij gaf vol vermogen, de machtige motoren brulden, hij trok aan de stuurknuppel: “we wijken uit.” Vóór de enorme massa van de Jumbo kon overgaan in een klim naar veilige hoogte, klonk een afschuwelijk geraas.

 

Zwart.

Toen ik bijkwam zag ik bomen, struiken, oerwoud, druipend van de regen. Ik had overal pijn. Ik hoorde gekreun, gehuil, gejammer. Er waren vlammen. Passagiers waren levend aan het verbranden. Die stemmen, die geluiden, die afschuwelijke stank: ik zal er voor de rest van mijn leven mee moeten zien te leven...

SLUIT BROWSER

©LeTigre b.v. All Rights Reserved - Nuyten Communicatie - Webdesign Holland