SLUIT BROWSER

 

Hopeloos de weg kwijt

We zagen de uitlopers van het regenwoud, afgewisseld met meren en rivieren en hier en daar een dorpje. Tussen statisch geruis en gekraak, hoorden we plotseling in nauwelijks verstaanbaar Amerikaans: “...American Piper Lance, does anybody hear me?” Ik antwoordde de Amerikaan dat we hem hoorden. Ik vertelde dat we een DC-10 waren, onderweg naar Miami-Florida. De Amerikaan was onderweg naar Caracas de weg kwijtgeraakt. Vliegend boven een groen, horizon-breed tapijt was hij op zoek naar een vliegveld.

 

Met mijn ruige, peenrode haardos ben ik waarschijnlijk de opvallendste copiloot ter wereld. In onze Hollandse DC-10 vlogen we op tien kilometer hoogte boven de zonovergoten oerwouden van Venezuela die zich horizonbreed voor ons uitstrekten. We waren onderweg van Rio de Janeiro naar Nederland, via een tussenstop in Miami-Florida. De mededeling aan de passagiers dat we over een uurtje in Miami zouden staan, had ik zojuist grotendeels in mijn eerste taal, het Fries, uitgesproken. Het was mijn vaste grap. Nu ja, grap, lang niet elke captain zag de humor er van in. Heimelijk hoopte ik zo op enige populariteit bij het Nederlandse publiek. “Hé, dat is Tjerk, die Fries..” Iedereen heeft recht op vijf minuten beroemdheid. Na mijn aardigheidje kwam de verkeersleiding van Caracas met een niet alledaags verzoek. Of we wilden uitkijken naar een Amerikaans privé-vliegtuigje dat de weg kwijt was.

 

Noodkreet.

Het moest zich ergens in onze omgeving bevinden, een zes-persoons, eenmotorige kist. Ze konden het verdwaalde vliegtuigje niet vinden op de radar. Misschien zat het te laag. Misschien dat wij het vanuit onze positie konden waarnemen. Men wist alleen een globale richting van het dwalende toestel. Ik antwoordde dat we zouden uitkijken. Geruime tijd speurden we intensief de omgeving af. We zagen de uitlopers van het regenwoud, afgewisseld met meren en rivieren en hier en daar een dorpje. Ik had de algemene frequentie voor die regio in de radio bijgezet en we luisterden via dat kanaal uit. Tussen statisch geruis en gekraak, hoorden we plotseling in nauwelijks verstaanbaar Amerikaans: “... november 21880, American Piper Lance, on frequency 123,45; does anybody hear me?”

 

Piper in distress.

“Dat is ‘m Tjerk!” reageerde onze captain. Hij had het eerder door dan ik. “This is N21880. I am lost. Do you hear me?” Hoewel moeilijk te verstaan door de kakofonie van geluiden op die frequentie, was de boodschap duidelijk. Ik antwoordde de Amerikaan dat we hem hoorden. Ik vertelde dat we een charter waren, een DC-10 onderweg naar Miami-Florida. De Amerikaan legde uit dat hij onderweg naar Caracas, boven al die “f****ing trees” de weg kwijtgeraakt was. Zijn navigatieapparatuur was kennelijk niet erg geavanceerd: hij had Caracas om een advieskoers gevraagd. Op onverklaarbare wijze was daar niets van terechtgekomen. Nu zwierf hij boven een groen, horizonbreed tapijt, op zoek naar een vliegveld waar hij vóór de invallende duisternis zou kunnen landen. Over zijn positie kon hij ons niet veel anders vertellen dan de hoogte en de koers die hij vloog.

 

Netelige situatie.

Over een klein uur zou het donker zijn. Had hij dan geen vliegveld in zicht, was het einde oefening. Neerstorten in het oerwoud, in de nacht? Vergeet het. We gaven aan de verkeersleiding door dat er radiocontact was. Maar, méér dan globale adviezen konden ze hem, via ons, niet geven. Er zat niets anders op dan te proberen hem te vinden. We draaiden, weken af van onze koers... niets. “Laten we ze achterin vragen om mee te kijken,” stelde ik voor. Hoe meer ogen... Nadat we de cabin crew hadden geïnformeerd, bracht de captain de passagiers op de hoogte. “Dames en heren, de verkeersleiding verzoekt ons om uit te kijken naar een verdwaald sportvliegtuig. Het zou onder ons kunnen vliegen. Wilt u meehelpen zoeken? Als we het niet vinden, raakt het zonder brandstof en crasht in het oerwoud.

 

Onverrichter zake.

Wij maken dadelijk enkele rustige manoeuvres links- en rechtsom. Kijk of u het vliegtuig ziet. Waarschuwt u het cabinepersoneel als u iets ziet.” Kalm heen en weer wiegend bewogen we ons vliegtuig. Vanuit de cockpit keken we gespannen om ons heen. Niets. We gaven de negatieve uitslag door aan de verkeersleiding en dat was dat. We pikten onze oorspronkelijke koers naar Miami weer op. Met een bedrukt gemoed riep ik de verdwaalde vlieger op. “N21880, hoe is uw situatie?” Door het gekraak op de frequentie sprak ik zo duidelijk mogelijk. “N21880 hier, heb je me gevonden?” schreeuwde de Amerikaan wanhopig. “Nee, nee, we zochten u, maar zonder resultaat.” Ik probeerde mijn stem neutraal te houden. Het daglicht begon te wijken. “Enig idee waar u bent?” Lullige vraag natuurlijk. “Hell no! Overal die verdomde bomen. Ik heb nog voor ruim een uur brandstof. Help me please!” We keken elkaar zwijgend aan. “Stand by...”

 

Eerste poging.

“Ik stel voor dat we een volledige cirkel draaien. Als we de bocht niet te scherp maken, kunnen alle passagiers meekijken.” Zei de captain. Ik knikte instemmend. Over zo’n kleine vertraging van onze vlucht waren we het stilzwijgend eens. “Ik draai rechtsom, kijk jij in de bocht naar beneden.” We informeerden ons cabinepersoneel en de verkeersleiding en draaiden langzaam 360 graden rechtsom. Groene soep van horizon tot horizon. Van de verdwaalde piloot geen spoor. Abrupt viel de duisternis in. Onze cirkel was rond en de captain legde de kist recht, richting Miami. Het “Help me, please...” echode na in onze oren. Zonder iets te zeggen, draaide de captain een langzame 360 over links. We hoefden er geen woorden aan vuil te maken. Zoeken! We draaiden scherper dan in de vorige bocht. “Dames en heren, we vliegen nogmaals een volledig cirkel,” zei ik over de intercom. “Kijkt u alstublieft goed mee. Het vliegtuig móet hier in de buurt zijn. Met de brandstof die het heeft, kàn hij het redden.” Niemand zag het toestel.

 

Tegen de regels.

“Laten we vierkanten vliegen,” stelde ik voor. “Een minuut oost, dàn een minuut zuid, een minuut west, en terug een minuut noord. Zien we niks, doen we hetzelfde de andere kant uit, tot we vier vierkanten hebben afgewerkt.” De captain keek me aan. ”Dat komt neer op nóg eens zestien minuten rondslingeren hier... Kost een flinke slok brandstof; de maatschappij zal het ons niet in dank afnemen maar, oké, we doen het, ik weet niks beters.” Dát we door bleven zoeken was inmiddels geen kwestie meer. Ik opende de deur tussen de cabine en de cockpit. Achteromkijkend, zodat ik de reacties van de passagiers zou kunnen zien, legde ik ons plan uit. Armen en handen gingen omhoog, gebaren van instemming. Massaal drukte men zich tegen de raampjes. Ik drukte de timer op het instrumentenpaneel in en elegant als een vogel die op de wind zweeft, draaiden we naar het oosten. Na een minuut verlegden we de koers naar zuid. Ruim tweehonderd paar ogen waren naar buiten gericht. We vlogen west en daarna noord. “Linksom,” commandeerde de captain. “Jouw beurt Tjerk, ik kijk uit en doe de timing.” Rustig draaide ik mijn vierkanten. Geen respons, slechts ernstige gezichten.

 

De tijd dringt.

Het was nu helemaal donker. Ik verwachtte dat de meeste passagiers niet meer uitkeken ook al plakte iedereen tegen de ramen. “We zoeken u nog steeds,” meldde ik de Amerikaan. “Holy shit, thanks man,” reageerde hij benepen. In de passagierscabine was het stil. De koers was noord, richting Miami. Een gevoel van volslagen onmacht maakte zich van ons meester. We hadden alles gedaan en moesten we nù die vent aan zijn lot overlaten? Ik hoorde de captain zachtjes vloeken. Met een ruk schoot hij overeind. “Zeg tegen die Yank dat hij klimt zover als hij kan.” “Laat hem al zijn lichten aanzetten, langzaam cirkels vliegen en om de duizend voet klim melden. Zeg tegen de verkeersleiding dat wij cirkelend gaan dalen met alle verlichting aan. Op enig moment moeten we even hoog zitten of lager uitkomen en zien wìj zijn lichten of hìj de onze...” Resoluut zette de captain alle lichten aan, haalde de gashendels terug, duwde de neus naar beneden en begon in wijde spiralen te zakken. Ik stelde de verkeersleiding op de hoogte en schakelde vervolgens over naar de verdwaalde piloot: “Klim zo hoog als je kunt N21880, maak flauwe 360’s met al je lichten aan. Wij doen hetzelfde, dalend met volle verlichting. We moeten elkaar ergens zien. Onze passagiers kijken mee, ruim zeshonderd ogen zoeken naar je. Dit móet en zal werken!” “All right… ik kan tot ongeveer vier kilometer klimmen,” antwoordde de Amerikaan. “Fantastisch initiatief van jullie! Ik zit in het stikdonker, met nog een half uur brandstof...”

 

Linke soep.

Vier kilometer is maar betrekkelijk. Waar we vlogen, is het bergachtig, tot ongeveer twee à drieduizend meter hoog. Lager dan drie-en-een-half-duizend meter konden we niet zakken. Wat we deden was sowieso tegen alle regels. De grond zag je niet meer. Langzaam cirkelend zakten we richting oerwoud en bergen. Ik begon me héél ongemakkelijk te voelen. De captain waarschuwde onze passagiers en cabincrew. Over de hoge grond onder ons zei hij niets. Tegen mij zei hij: “Zet de tussendeur open Tjerk, zodat wij goed contact hebben met de passagiers.” “Zodra u lichten ziet, houd u het vliegtuig in het oog, kijk niet naar binnen. Vasthouden, die lichten!” riep de captain via de intercom. We cirkelden traag naar beneden. Toen: de verkeersleiding, zwaar gepikeerd: “Wat doet u, Dutchman?” Kennelijk hadden ze onze aankondiging niet begrepen. Ik maakte duidelijk wat we uitvoerden. Dat ging zomaar niet. Zo’n grote DC-10 kan niet op eigen initiatief van hoogte en koers veranderen en een beetje gaan zwerven op een route met ook ander luchtverkeer, “Stop uw manoeuvre onmiddellijk, klim naar de u toegewezen hoogte en hervat uw koers,” commandeerde de verkeersleiding. “Er is ander verkeer in uw omgeving.”

 

Dilemma’s, dilemma’s...

Ik zat onbeweeglijk, wat nu? Onze captain: “Leg duidelijk uit wat we aan het doen zijn. We gaan dóór. We hebben een afspraak met die vent beneden.” Ik aarzelde. “Zég het! En blijf het zeggen, laat die lui er niet tussen komen. Laat ze het maar aan hun kant oplossen. Maak er hun probleem van.” Tot tweemaal toe herhaalde ik onze boodschap en ik sloot af met het dringende verzoek ons vrij te houden van ander verkeer. Daarna kwam er geen bericht meer terug. “Dutch DC-10!” Opgewonden klonk het uit de radio, “I gocha, I gocha! Ik zie jullie in het noorden, boven mij!” Dat was ‘m. We hadden ‘m! “Oké N21880, wij draaien zuid. Hou ons in de gaten!” riep ik terwijl mijn hand voor de captain langs naar het zuiden wees. Onze machine draaide, beduidend scherper dan gerieflijk was voor onze passagiers naar het zuiden. En jawel: witte lichtjes! “Yes ! Jullie hebben me. Holy Lord thanks!” schreeuwde de Amerikaan, die onze landingslichten op zich af zag stormen. We informeerden de passagiers. Een storm van applaus brak los! We spraken met de Amerikaan af dat we iets hoger dan hij zouden vliegen. We draaiden steile bochten zodat we elkaar niet uit het oog konden verliezen. We zagen zijn lichtjes naderbij komen en schoten hem in tegengestelde richting voorbij. We draaiden, achter hem langs een bocht om langszij te komen. Kompleet gekkenwerk in het donker. De passagiers juichten van enthousiasme toen ze de lichtjes uit het donker zagen opduiken. Niemand had last van de rare bochten die we draaiden. We zagen hem voor ons uit, de kleine rood-groene navigatielichten. Onze captain minderde gas en vloog met kleppen uit om zo langzaam mogelijk te kunnen vliegen. Met zo’n driehonderd kilometer per uur kropen we van achteren naar hem toe. “Dames en heren, links voor, daar is ie!” meldde de captain. We passeerden hem. Iedereen, echt iedereen, zat gebiologeerd met de neus tegen de ruitjes en het gejuich was niet van de lucht. “Jesus Christ!’ schreeuwde de Amerikaan. “Ik zie een compleet verlichte kerstboom op me af komen. Het lijkt wel een spaceship! God bless you..”

 

Rood licht.

Zo langzaam als we konden, vlogen we voor hem uit naar een vliegveld dat ik op de kaart geselecteerd had, op ongeveer tien minuten vliegen. De hemel mag weten waarom de Amerikaan zijn weg zelf niet had kunnen bepalen, daar vroegen we niet naar, hij volgde vol gas, onder en achter ons. Op het vliegveld brandden alle lichten. Eenmaal geland kon de Amerikaan zijn geluk niet op. We zagen hem in het stralende licht naar de hangar taxiën. Safe! Met een goed gevoel klommen we terug naar onze kruishoogte, richting Miami. Inmiddels behoort dit avontuur tot één van de mythes in luchtvaartkringen. En steeds als ik dit verhaal vertel, krijg ik de opmerking: “Ja, ja... Die Yank zag natuurlijk het eerst dat grote rode licht in de cockpit..” Ik lach er al niet meer om.

SLUIT BROWSER

©LeTigre b.v. All Rights Reserved - Nuyten Communicatie - Webdesign Holland